Bidden onder de boom..

De vermoeienissen van zijn lange reis door een bergachtig en geïsoleerd deel van Celebes zaten Meneer N. nog in de benen. Bij zijn aankomst wilden de mensen in het kleine dorp Bakubakulu aan het einde van het lange zandpad echter niets van hem weten. N. was gekomen om van Jezus Christus te vertellen – dit had hij niet verwacht.
“Hoe ik ze ook probeerde te benaderen, ze liepen bij me weg en verkozen om zich achter een gebouw te verstoppen,” verhaalt meneer N.
De mensen hoorden bij de Da’a-stam. Ze waren arm en grotendeels onopgeleid. De meeste gezinnen leefden van de knolgewassen die ze zelf teelden. De Da’a zijn animisten die geesten in de natuur aanbidden. Ze volgen de genezers in hun dorpen, die over iemand blazen en toverspreuken reciteren om ziektes weg te jagen.

Uiteindelijk stemden ze toe om met meneer N. te praten. Ze vertelden hem dat ze een grote boom in hun dorp aanbaden. Ze hadden wel eens van Jezus gehoord, maar wisten niet beter dan dat Hij de Heer van de christenen is,” zegt N.

Meneer N. wees ze erop dat ze, in plaats van te blazen, beter tot God kunnen bidden om mensen te helpen. Hij vertelde ze over Gods liefde en genade die geschonken wordt aan allen die Zijn Zoon geloven. Na verloop van tijd wisten de bescheiden boeren alles over de reddende genade van Jezus Christus. Via de geduldige aanpak van meneer N. zijn 121 dorpelingen tot aanvaarding van Jezus Christus als hun Heere en Redder gekomen.

Deze nieuwe christenen komen nog altijd bij de boom. Niet meer om die te aanbidden, maar om onder zijn bladerdak iedere zondag kerk te houden, met meneer N. als hun voorganger.